| Een galei met slaven (aankomen - vt) op een eiland . | | Met een diepe zucht en dodelijk vermoeid (neerleggen - vt) de slaven de riemen . |
| Allemaal (zijn - vt) ze bekaf. Ze (zuchten -vt) diep. |
| De stuurman (komen - vt) voor hen staan en (melden - vt) : |
| "Mannen ik (hebben - tt) goed nieuws, maar ook slecht nieuws." |
| De slaven (weten - vt) niet wat hun nu weer te wachten (staan - vt) . |
| Gelaten (afwachten - vt) ze . |
| |
|