| 1. Op een schitterend cruiseschip (werken) Magic Woody, een goochelaar. |
| Eigenlijk (heten) hij Marc van Hout, maar dat (vinden) hij geen naam om op zo'n |
| chique schip te goochelen. Zijn schuilnaam (geven) hem meer aanzien, (denken) Marc, |
| die altijd met een felgekleurde papegaai (optreden) |
| Die papegaai (zijn) echt een prachtbeest, maar (hebben) één groot nadeel: |
| hij (verklappen) alle goocheltrucs. En toen (aanbreken) de noodlottige dag |
| waarop het machtige schip tegen een ijsberg (varen) en (zinken) . |
| Dat (gebeuren) tijdens een show van de goochelaar. |
| Magic Woody (slagen) erin om op tijd in een reddingssloep te geraken. |
| Zijn papegaai (rondvliegen) eerst wat doelloos en (komen) toen op de |
| schouder van Magic Woody zitten. De papegaai (aankijken) de goochelaar strak |
| en (zuchten) : "Oké, ik geef het op. Waar heb je het schip gelaten?" |
| |
|