| 2. Er (zitten) twee ijskasten in de boom. |
| Ze (spelen) eerst verstoppertje, daarna (houden) ze zich |
| bezig met een spelletje poker. |
| Op een gegeven ogenblik (komen) onder de boom een ei voorbij huppelen. |
| De ene ijskast (kijken) op haar horloge, (openen) haar deur |
| en (fluisteren) tegen de andere: |
| "Het (zijn) daarnet kwart over twee. Heb jij dat ei gezien?" |
| De andere koelkast (knikken) met haar pootjes. |
| De eerste koelkast (roepen) naar beneden: |
| "Hé, ei, doe je mee met een spelletje kaarten?" Het ei (schrikken) in zijn dooier, |
| (roeren) zich bijna, (herpakken) zich, (kijken) naar boven: |
| "Nee, ik kan niet komen meespelen, ik (moeten) al om twee uur bij de kapper zijn!" |
|
|