Met roest bedekt raken. Roest is een bruin laagje dat op ijzer komt als het vochtig wordt. | | Erg kwaad, Ze werd toen ik aan haar haren trok. Pissig | |
| Met roest bedekt. | |
| Aardig voor anderen. Je vindt bijna alles goed wat ze van je vragen. | |
| Als je er droevig van wordt. Treurig. | |
| Iemand last bezorgen door hem of haar te storen. | |
| Plotseling en heel even. In een kort moment. | |
Gemeen. Het was een plan. | |
| Steeds een klappend geluid maken. Klapperend | |
| Een knechtje van een ridder. Hij moest het schild dragen. | de |
Een plaats waar je je verstopt om iemand aan te vallen als die het niet vewacht. | de |
| Een slootje. | de |
| Iemand heel even zien. | een |
|