Dezelfde toestand komt telkens terug. Bv. zeewater verdampt, vormt wolken, uit de wolken valt regen in de rivier, de rivier stroomt naar zee. | de |
| Deeltjes van sneeuw die samen een figuurtje vormen. | de |
| Iemand die veel weet van een bepaald onderwerp en onderzoek ernaar doet. | de |
| Dat iets een beetje nat is. | de |
| Dunne mist. | de |
| Waterdruppels die je 's morgens vroeg buiten op de planten ziet. | de |
| Een staaf ijs die ergens aan hangt. | de |
| Een plat stuk ijs dat op het water drijft. | de |
| Een dun laagje bevroren regen op de weg. | de |
| Regen die in heel kleine druppeltjes heel zachtjes valt. | de |
| Korter en dunner worden. Bv. draden of haren. | |
| Langer en dikker worden. | |
| Damp wordt vloeibaar. Het worden weer druppels. | |
| Water verandert in damp. Je ziet het niet meer. | |
| Heel erg klein. | |