| Een potje voetballen. | een |
| Plotseling beginnen te lachen. | |
| Heel erg naar iets verlangen. | |
|
| Iets later doen dan je eerst van plan was. | |
| Ergens mee ophouden. | |
| Ergeren. Boos maken. | |
| Heel vroeg. | |
| Tevreden. | |
| De pantoffel | de |
| Een hok om spullen in op te bergen. | de |
Een straf bij voetbal. Een speler van de tegenpartij mag vrij naar het doel schieten. De penalty. | de | | Iets verschrikkelijks. | de |
Een speler van een voetbalteam, die vooraan in het midden van het veld staat. De spits. | de | Het vertrouwen dat het zal lukken wat je wilt doen, je weet zeker dat je het kunt. | het |
| Een plaatje waaraan je een club of fabriek kunt herkennen. | het |
|