| luiden | De bel gisteren precies op tijd. |
| hoesten | Maria gisteren heel erg. |
| versieren | Mama de kamer voor mijn verjaardag. |
| vergoeden | De verzekering vorige week de schade aan mijn auto. |
| oprichten | Jan zijn hoofd op, toen de meester wat aan hem vroeg. |
| overhoren | jouw juf elke week de dicteewoorden? |
| uitrusten | Na de toets ik gisteren even uit. |
| betalen | Je hebt daar te veel voor . |
| uitglijden | Op deze gladde vloer je gemakkelijk uit. |
| vinden [v.t.] | Wat je van de voorstelling? |
|