| zich vervelen | Als jij je , mag je wel lezen. |
| bestrijden | Ik luizen met lieveheersbeestjes. |
| veranderen | Heb jij je kamer al ? |
| bedriegen | Jan zijn vrienden nooit. |
| planten [v.t.] | De tuinder kleine slaplantjes in de volle grond. |
| bedoelen | Wat zou hij hebben? |
| bemesten | De grond is erg vruchtbaar. |
| betekenen | Weet je wat dat ? |
| bezorgen | Mijn broer elke dag de krant. |
| bezorgen | Hij heeft de krant al twee jaar . |
|