| Doen alsof iets kleins heel belangrijk is. | |
| Iets waar je een enorme hekel aan hebt. | |
| Iets of iemand waar je erg van houdt. | |
Als er mannen en vrouwen aan meedoen. Bijvoorbeeld: een koor. | |
| Van schrik opspringen of rechtop gaan zitten. | |
| Niets willen zeggen. | |
| Het leuk vinden dat iemand iets aardigs tegen je zegt. | |
Prettig: fijn. In de kamer is het warm. | |
| Vervelend voor iemand zijn. | |
| Snel langs iemand naar binnen lopen. | |