| Goed opletten ; je concentreren. | |
| Iemand iets verkopen wat hij eigenlijk niet nodig heeft. | |
Ergens kennis van hebben. Hij heeft voor antiek. | hebben voor iets. |
| Er zit schimmel op; het is bedorven. | |
| Iets proberen weg te krijgen. | |
| Het ruikt naar bloemen. | |
Vergaan; bederven. De appels liggen te onder de boom. | |
| Lucht in je longen laten stromen. | |
| Het ruikt naar kruiden. | |
| Dat wat je ruikt. | de |