| Je noemt meer dingen op. |
Voor het eerste dat je opnoemt zegt je: , voor het tweede zeg je: . | ten eerste..., ten tweede... |
| Een dun buisje waardoor je drinkt. | het |
Een is een grote beker met een oor. | de |
| Een stuk taart. | de |
| Drinken met prik. | de |
Kleine bellen die in een drankje zitten. Ze prikken een beetje in je mond. | de | | Een dokter. | de |
| Heel graag. | |
| Erg leuk. | |
| Opeens, plotseling | |
|