| stoken | ik stook | hij stookt | Hij heeft een vuurtje gestookt. |
| roken | ik | hij | Mijn opa heeft vroeger gerookt. |
| lopen | ik | hij | Zij is toen naar huis gelopen. |
| dromen | ik | hij | Hij heeft van haar gedroomd. |
| knopen | ik | hij | Ik heb een paalsteek geknoopt. |
| boren | ik | hij | Ik heb een klein gat geboord. |
| kopen | ik | hij | Ik heb schoenen gekocht. |