| Buiten is de lucht . De zon lijkt wel van . De school |
| is van en het is er heel warm. Eigenlijk wil ik naar het zwembad |
| toe. Daar is het water nu lekker . Ik maak mijn werk heel |
| , want dan kan ik met gaan zwemmen. De sommen |
| zijn snel af. De juf kijkt ze na. Ze zijn allemaal .Ik moet ze heel |
| overmaken. Bah, wat vind ik dat ! |