| Mijn ni ma mee op een to door IJsland. Zij vlie er heen in |
| a uur. Zij gaat midden in de na we en komt aan als het net |
| li wordt. Er li een flink pak sneeuw. Haar vriend wa op haar. Zij |
| krij eerst een warme jas aan. Dan stappen ze in een bus en rijden we. |
| Hoo in de lu zien ze een vlu vogels. Als mijn ni vraa |
| wat dat voor vogels zijn, ze haar vriend: "Ganzen". Na een scherpe bo |
| krij de bus pe. Mijn ni la eerst no, maar haar vriend |
| plaa: "Wa maar, straks wordt het sle weer!" Hij krij gelijk, al |
| gauw jaa de sneeuw over het land. Iedereen klaa over de kou en een |
| lege maa. Uren later slaa een vliegtuig erin di bij hen te landen. |
| Met een zu stapt mijn nicht in ze ze : "A, volgend jaar ga ik |
| to maar weer naar Spanje!" |
|