| 1. Mogen we op jouw verjaardag komen? | jouw = |
2. De tuinlieden spitten de tuin om. | tuinlieden = | | 3. Heeft de fotograaf zijn fototoestel niet meegenomen? | zijn = |
| 4. De lifters reden met een vrachtauto mee. | met = |
| 5. Ik begroette de buitenlandse gasten. | buitenlandse = |
| 6. De zeilboot is in een zware storm vergaan. | zeilboot = - zware = |
| 7. Besloop de leeuw zijn prooi? | |
| 8. De krachtige wind veroorzaakte veel schade in ons land. | krachtige = |
| 9. De twee kinderen hebben de boodschappen al gedaan. | twee = |
| 10. De verpleegster en de dokter hielpen de patiënt. | dokter = |
|