| De punt van zijn potlood is gebroken. | punt = |
| Waarom werd de tafel verplaatst? | werd = |
| Gaan jullie naar de Efteling ? | gaan = | Efteling = |
| De redders zullen een geschenk ontvangen. | - |
| Zijn geduld wordt eindelijk beloond. | beloond = |
| Hebben de kinderen de waarheid verteld? | - |
| Heeft zij zelf die foto's gemaakt? | zij = |
| In de maand juli gaat hij op reis. | in = | juli = |
| De dokter ging zijn patiënten bezoeken. | patiënten = |
| Waar heb jij de krant gelegd? | krant = |