|
| 1. Opa is heel erg doof. | Hij is zo doof als een kwartel |
| 2. Hij is erg onervaren. | Hij is zo groen als . |
| 3. De prijswinnaar is heel erg blij.. | Hij is zo blij als een . |
| 4. Dat schilderij is heel erg lelijk. | Het is zo lelijk als de . |
| 5. De rugzak is helemaal niet zwaar. | Hij is zo licht als een . |
| 6. Romeo is heel erg sterk. | Hij is zo sterk als een . |
| 7. Jolanda is heel erg trots. | Ze is zo trots als een . |
| 8. Nina kan doen waar ze zin in heeft. | Ze is zo vrij als een . |
| 9. Mijn zusje is heel erg koppig. | Ze is zo koppig als een . |