|
| 1. Mijn vader weet alles over auto's. | |
| 2. De directeur van de school is vandaag klaarover. | |
| 3. Een beschuitrol heeft deze vorm. | |
| 4. De wielrenners praatten via hun 'oortjes" met hun ploegleider. | |
| 5. Onze school is verbouwd; de klas is nu een stuk ruimer. | de |
| 6. Een groot deel van Nederland ligt lager dan de zee. | het |
| 7. Deze taart van 20 centimeter is geschikt voor 10 personen. | de |