| 1. Nina tuurde naar het deel van haar laptop waarop ze beelden zag. | |
| 2. Ze deed dat heel oplettend. | |
| 3. Handig en vlug toverde ze een paar beelden tevoorschijn. | |
| 4. Ze zette ze met een snelle beweging mooi achter elkaar. | |
| 5. Toen keek ze nog even zoekend naar beelden die nog ontbraken. | |
| 6. Nu had ze een filmpje van de persoon die ze zo bewonderde. | |
| 7. Wat zag die er deftig uit in de grote rode jas. | |