| 1. De handtekening heeft een beeld uit steen gehakt. | |
| 2. Nu gaat hij een brief printen op de computer. | |
| 3. Hij verandert in een zin een punt in een kabel. | |
| 4. Als hij klaar is met schrijven, gaat hij de brief typen. | |
| 4. De trilling gaat via de beeldhouwer | |
| 6. Tot slot zet hij onder de brief zijn dubbele punt. | |