| Hele werkwoord | Zin in de tegenwoordige tijd. (= nu) |
| bonzen | De kleuter bonst tegen de deur. |
| De storm raast nu over het westen van het land. |
| | Proef jij ook een vreemd smaakje aan de chocolademelk? |
| De juf geeft haar vast een acht voor deze spreekbeurt. |
| Het kind plonst in een sloot vol kroos. |
| Het peutertje blaast op het warme eten. |
| Blijf jij tussen de middag op school? |
| Jasper beeft altijd van de kou in het zwembad. |
| Hij reist via Rotterdam naar Utrecht. |
| | Carla bloost regelmatig. |
 |
| Wat drijft daar nu in het water? |
| Ik graaf een kuil op het strand. |
| | Ik wijs u de weg wel even. |
| Ik smoes regelmatig met de andere kinderen. |
| Deze folder beschrijft alle mogelijkheden goed. |
| | De timmerman schaaft de rand van de deur. |
| | De waterleiding bevriest bij deze temperatuur. |
| | U verliest iets uit uw tas mevrouw. |
| | Hij verschuift zijn tafel naar links. |
 |
| | Ik beloof niet. |
| | De winkelier prijst zijn artikelen. |
| | Ik vrees een flinke onvoldoende. |
| | Het paard snuift onrustig. |
| In Australië beleeft hij de tijd van zijn leven. |
| | Mijn buurman verhuist vandaag naar de straat achter ons. |
| | De wond geneest mooi. |
| | Ik verf de deur aan het eind van de middag. |
| | Mijn moeder gelooft niets van dat verhaal. |