| Het is nergens zo fijn als thuis. | |
| Je kijkt ernaar uit dat iets gaat gebeuren. | |
| Het moment dat iets echt gaat gebeuren. Nu wordt het spannend. | |
Niet stevig in elkaar zitten. Hij woont in een huisje. | |
| Je hebt veel spullen bij je om op reis te gaan. | |
| Iemand met wie je op reis bent. | de |
| Een trein die tussen grote steden rijdt en niet stopt op kleine stations. | de |
| Een trein waar je je auto op kunt rijden en waarin je ook een slaapplaats hebt. | de |
| De borden die je de weg wijzen als je ergens naartoe wilt. | de |
| Een trein die veel sneller rijdt dan een gewone trein, wel 300 km/uur. | de |
|