| Iets wat van jou is, waar jij de eigenaar van bent. | het |
| De vracht; iets wat getild of vervoerd moet worden. | de |
| Iemand die op dezelfde plek werkt als jij. | de |
| Iemand een baan geven. Hij is aangesteld als directeur van het bedrijf. | |
| Overdrijven, komediespelen. | zich |
| Iemand wegsturen; iemand zeggen dat hij of zij niet langer voor je mag werken. | |
Iets wat echt bij iemand past. Mary om zo'n grappige opmerking te maken. | |
| Een afspraak die op papier is gezet. | het |
| Iets doen: iets voor elkaar krijgen. |
| Hij presteert het om drie keer per week te laat te komen. | |
|