Taal actief 4 - groep 8 Spelling Thema 4 week 2a

  
Taal actief 4
Vul het meervoud in van :
leeuwerik - monnik - havik - zanik - perzik - bangerik - stommerik - kennis - grinnik - dommerik
- dreumes - tennis - vriendin - luiwammes - slechterik - viezerik - stik.
Mensen die angstig zijn, noem je . bangeriken
Kleine kinderen noem je baby's, of peuters of .
Oh nee, die meiden zitten weer te
Zij werken hard het zijn bepaald geen .
Ik ken ze al heel lang, het zijn goede .
Hij zal me altijd helpen, hij laat me echt niet .
Ze hebben vaak iets te zeuren , ze kunnen echt goed .
Het meervoud van leeuwerik is .
De vlogen hoog boven de akkers.
De zijn in de reclame bij de groenteboer.
Anja is heel sociaal en ze heeft dan ook veel .
Wat is eigenlijk het verschil tussen en ? Ze zijn allebei niet slim. en
leven in een klooster.
Ik ga vaak met een paar kennissen een potje .
Ze hebben geen goed karakter, het zijn een .
Ze hebben de boel keurig opgeruimd en alles is brandschoon,
het zijn alles behalve .