| bereiden | het gerecht in de oven op 210° Celsius. |
| snijden | de paprika's in kleine blokjes. |
| braden | het gehakt uit in een koekenpan. |
| geven | extra smaak aan het gerecht met wat zout en peper. |
| streven | naar een verfijnde smaakcombinatie. |
| bestrijden | te veel zout, dat is slecht voor je bloeddruk. |
| proeven | even tussendoor van het gerecht. |
| branden | je dan niet! |
| blazen | dus eerst heel goed. |
| schudden | wat Parmezaanse kaas over het gerecht als het klaar is. |
| vrezen | niet dat je te veel gemaakt hebt, het gaat zeker op! |
| verbazen | je over alle complimenten die je krijgt, want zo moeilijk was het niet. |
|