| paleizen | Eén paleis - twee . |
| verblijven | Ik verblijf - hij verblijft - wij . verleden tijd: ik verbleef - wij verbleven. |
| glanzen | De kristallen glazen . |
| bijhouden | Zij moest het gazon beter . |
| nauwkeurig | Ik heb het uitgerekend. |
| schriften | De horen in de linkerkast. |
| schatten | Ik schat - jij schat - wij - verleden tijd : ik schatte - wij schatten. |
| plavuizen | Wij hebben een vloer in de keuken. |
| onderhoud | Het van een CV-ketel is belangrijk. |
| verhuizen | Ik verhuis - jij verhuist - wij . verleden tijd : ik verhuisde - wij verhuisden. |
| schurken | De overvielen het geldtransport. |
| lieve | Mijn moeder noemt mij vaak: "Mijn jongen". |
| huishoudster | Bijna niemand heeft meer een is huis. |
| schrokken | Ik schrik - jij schrikt - wij schrikken - verleden tijd: ik schrok - wij . |
| schrijven | Ik schrijf - jij schrijft - wij - verleden tijd : ik schreef - wij schreven. |