De trein. Wij reizen per . | het |
| Een ondergrondse tram, de ondergrondse. | de |
| De reis per vliegtuig. | de |
| Opschrijven. | |
| Ineens iets weer weten. | |
| Niet meer weten waar je bent. | |
Waar het langs gaat. De weg wij lopen, gaat naar het station. | |
| Met jezelf afspreken iets te doen. | |
| In de zon liggen om bruin te worden. | |