| Als je iets in de winkel koopt, betaal je bij de (k) | kassa |
| Als je niet samen bent, ben je (a) | |
| Veel grote mensen drinken graag een kopje (k) | |
| Drie keer per schooljaar krijg je een (r) | |
| Als de post een pakje brengt, noem je dat ook wel een (p) | |
| In deze korte zin staat geen punt, er staat wel een (k) | |
| Een plein vol mensen noem je ook wel een (m) | |
Als je een opblaast met gas, gaat hij de lucht in. | |