| 1. In m leggen alle vogels een ei. | Dit boek is van m. |
| 2. W gaan naar de film. | De geit staat in de w. |
| 3. Vanavond eten we rst met kip en kerrie. | Vader rst met de trein. |
| 4. H heeft het niet gedaan. | 4. De bloemen van de h zijn paars. |
| 5. Wat z jij daar? | Z heeft deze tekening gemaakt. |