 |
| 1. Ik lust geen ui, maar wel . |
| 2. Je kunt nu eikels vinden onder de . |
| 3. De stopt ieder kwartier bij dit station. |
| 4. is een goede grondsoort. |
5. Vogels leggen meestal in een ei. | | 6. Mijn oma een trui voor mij. |
| 7. De olifant is niet maar groot. |
| 8. Vier is meer dan drie, dat is een . | 9. De geitje staat in de bij de eik. |
| 10. Onze geit heeft een kleine gekregen. | 11. Het maak ik schoon met een dweil. |
| 12. De ligt nu in de teil met water. | 13. Hij dat hij ziek was. |
| 14. De kleine speelde graag buiten in de tuin. |
|