| Zij rent met haar broertje door het parkje. | |  |
| Gisteren speelde ik een spelletje "Mens erger je niet" met haar. | |
| Achter deze deur zit de trap naar de zolder. | |
| Hij won de schaakpartij binnen een kwartiertje. | |
| Hij fietste samen met Astrid naar school. | |
Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de volgende zinnen? |