Staal groep 6 thema 6 les 1

  
Staal groep 6

Welke woord kies je uit?
de anus - de bacterie - de diarree - de aandrang - de brandstof
Het gevoel dat je moet poepen.
Het poepgat.
Een piepklein beestje dat je alleen door een miscroop kunt zien.
Er zijn goede en slechte van. Van de slechte kun je ziek worden.
Een stof die het lichaam energie geeft.
Heel dunne poep.

Welke woord kies je uit?
de gal - de dunne darm - de ontlasting - het enzym - de dikke darm
Het deel van de darm waar het water uit de poep wordt gehaald.
Het deel van je darmen waar stoffen uit het eten in je bloed komen.
Een stofje dat helpt bij de reactie in je lichaam.
Een bitter sap uit de lever dat helpt bij het verteren van het eten.
Het wordt opgeslagen in je galblaas.
Een orgaan dat je bloed zuivert.

Welke woord kies je uit?
de slokdarm - de ontlasting - het maagzuur - het orgaan - het maag-darmkanaal
Je maag en je darm samen, je spijsvertering.
Een zuur sap in je maag dat helpt bij het verteren van eten.
De poep.
Een deel van het lichaam met een eigen taak. Bijvoorbeeld:
het hart, de longen, de maag en de lever.
Het deel van je darmen dat net na je keel begint.

Welke woord kies je uit?
de spijsvertering - de verstopping - verteren - de spijs - de voedingsstof
Het klaargemaakte eten.
Alles wat in je lichaam met je eten gebeurt. Bij de spijsvertering
maakt je lichaam je eten steeds kleiner en haalt het de
belangrijkste voedingsstoffen eruit. Wat overblijft, poep je uit.
Verstopt zitten, dicht zitten. Als je hier last van hebt,
zit de poep vast in je lichaam.
De stoffen uit het eten halen die je lichaam nodig heeft.
Dit gebeurt in je maag en darmen.
Een stof in het eten die goed is voor je lichaam.