Staal groep 6 thema 3 les 1

  
Staal groep 6

Welke woord kies je uit?
aan wal - de bemanning - stuurboord - aan boord - bakboord
Op het schip.
Aan land.
De linkerkant van het schip.
De rechterkant van een schip.
De mensen die op een schip werken.

Welke woord kies je uit?
de kade - de kajuit - het binnenvaartschip - de boeg - de horizon
Een schip dat spullen vervoert over rivieren en kanalen.
De voorkant van een schip.
De lijn in de verte waar de lucht en de aarde elkaar lijken te raken.
Een dikke muur waar boten kunnen aanleggen en laden en lossen.
Een soort huisje op een schip waar je droog en warm kunt zitten.

Welke woord kies je uit?
lossen - de sleepboot - machtig - de kombuis - de opvarende
Een schip of vrachtwagen leegmaken, uitladen.
Groot , geweldig, indrukwekkend.
Iemand op een varend schip.
De keuken van een schip.
Een kleine sterke motorboot die andere schepen kan trekken.

Welke woord kies je uit?
de vloot - het vrachtschip - de stuurhut - de koers - het zeiljacht
De richting.
De kamer op het schip om te sturen en alles in de gaten te houden.
Een groep schepen
Een grootschip waar spullen mee vervoerd worden over het water.
Een grote, dure boot iemand voor zijn plezier heeft.